Variatie+knolcyperus+maakt+aanpak+lastig
Achtergrond
© LLTB

Variatie knolcyperus maakt aanpak lastig

Klonen van knolcyperus vertonen een grote variatie in kenmerken en gevoeligheid voor herbiciden. Het succes waarmee klonen zijn terug te dringen, varieert daardoor van perceel tot perceel, blijkt uit onderzoek door de Universiteit Gent. Dat maakt de bestrijding lastiger, ook in Nederland.

Knolcyperus (Cyperus esculentus) is een hardnekkig onkruid, dat grote problemen kan veroorzaken. De grasachtige plant is invasief, kan gewasopbrengsten halveren, produceert een massa stengelknolletjes en is lastig te bestrijden. Daarom moeten telers al het mogelijke doen om verspreiding te voorkomen.

In Nederland speelt het probleem vooral in Noord- en Midden-Limburg. Met name akkerbouwers en vollegrondsgroentetelers hebben last van het onkruid. Hoeveel telers in Nederland last hebben van knolcyperus, is moeilijk te zeggen. Boeren lopen er niet mee te koop, als knolcyperus de kop opsteekt, omdat ze dan een teeltverbod krijgen opgelegd.

Besmette oppervlakte

Om knolcyperus in Limburg aan te pakken, is de LLTB in Weert met een zesjarige proef begonnen. Omdat Belgisch-Limburg met dezelfde problematiek te maken heeft, werkt zij samen met de Belgische Boerenbond en de beide provincies Limburg. In België begint de Werkgroep knolcyperus PVL Bocholt een project. De besmette oppervlakte bij onze zuiderburen wordt geschat op 15.000 hectare.

In Nederland speelt het probleem vooral in Limburg

De uitkomst van het onderzoek door de Universiteit Gent geeft nieuwe inzichten. In Nederland werd er tot nu toe vooral van uitgegaan dat er twee soorten knolcyperus bestaan: de meest voorkomende gele knolcyperus en paarse knolcyperus. Nu blijken er in Vlaanderen alleen al meer dan twintig verschillende soorten knolcyperus te zijn, die verschillen in herbicidengevoeligheid.

Kiemkrachtig

In Nederland leefde daarnaast de gedachte dat het zaad van knolcyperus niet kiemkrachtig is. Uit het onderzoek door de universiteit blijkt dat dit bij een paar soorten het geval is, maar bij de meerderheid van de soorten in Vlaanderen loopt de kiemkracht op tot 88 procent. Zaailingen kunnen daardoor een grotere rol spelen in de verspreiding dan voorheen werd gedacht.

Het onderzoekt toont verder aan dat klonen van knolcyperus een grote variatie vertonen in scheutgevoeligheid, knolbiomassa, knolaantal en individueel knolgewicht. De scheutvormingscapaciteit kan verschillen tot een factor 2, knolbiomassa tot een factor 4 en knolaantal zelfs tot een factor 5. Het maximaal aantal nieuwgevormde knollen op basis van één moederknol was 1.302.

Biologie van klonen

Om tot een effectieve bestrijding en beperking van de verspreiding van knolcyperus te komen, is onderzoek vereist naar de biologie van de aanwezige klonen knolcyperus. In Vlaanderen zijn 25 klonen vergeleken en is gekeken naar de herbicidengevoeligheid. Er werden twintig bestrijdingsstrategieën toegepast. In het onderzoek werden verschillen vastgesteld tussen de strategieën, maar ook tussen de klonen.

De toegepaste strategieën verschillen sterk in bestrijdingspercentage van knolcyperus voor zowel loofbiomassa, knolbiomassa, aantal nieuwgevormde knollen als individueel knolgewicht. De geteste klonen knolcyperus vertonen bovendien grote verschillen in gevoeligheid.

Kleine en grote knollen

De bestrijdingsstrategieën hebben het meeste effect op klonen die kleine knollen produceren. Klonen met grote knollen zijn moeilijker te bestrijden door enerzijds een lagere intrinsieke gevoeligheid en anderzijds door meer reserves in de knol.

Strategieën met dimethenamide-P of S-metolachloor inwerken voor het zaaien en dubbele bladtoepassing met bentazon/mesotrion, bentazon/pyridaatcombinaties uitgevoerd in het 3-, 4- en 7/8-bladstadium van mais bestrijden knolcyperus goed. Dergelijke strategieën voorkomen nieuwe knolvormen in grote mate. Strategieën op basis van glyfosaat voorkwamen knolvorming niet.

Dodelijk effect

Belangrijk is ook het effect op de vitaliteit van de moederknollen. Strategieën op basis van mesotrion/bentazol en/of mesotrion/pyridaat blijken een groter dodelijk effect te hebben op de moederknollen dan strategieën van dimethenamide-P of S-metolachloor. Het percentage moederknollen dat na behandeling kon kiemen, was het grootst bij vooropkomstbehandeling of inwerken voor het zaaien.

Om bij bodemherbiciden een sterk reducerend effect op knolcyperus te krijgen, moet het middel tijdig (bij kieminitiatie) en in voldoende concentratie in de kiemzone van de moederknol aanwezig zijn. De knollen die op de grote diepte kiemen, kunnen bij inwerken voor het zaaien of vooropkomstbehandeling ontsnappen aan de bodemherbicide. Eén of twee naopkomstbehandelingen zijn nodig om nakiemers te bestrijden.

Goed alternatief

Schoffelen was onvoldoende effectief. Dode mulch (Viatex worteldoek) daarentegen is een goed alternatief voor chemische bestrijding en tast de vitaliteit van de moederknollen aan: 69 tot 100 procent doding.

Falende bestrijdingsstrategieën hebben volgens de onderzoekers niet steeds te maken met slechte toepassingsomstandigheden of niet tijdig ingrijpen. Voor boeren is de variatie in gevoeligheid van de verschillende klonen moeilijk in te schatten en dat kan zorgen voor verschil in effectiviteit van de bestrijding tussen percelen.

Weer

  • Zaterdag
    9° / -1°
    10 %
  • Zondag
    8° / -2°
    10 %
  • Maandag
    7° / 2°
    10 %
Meer weer
@nieuweoogst.nu