Varkenssector+kan+leren+van+pluimveehouderij
Achtergrond
© maartje van berkel

Varkenssector kan leren van pluimveehouderij

Het is de hoogste tijd dat de Nederlandse varkenshouderij gaat nadenken over haar toekomstige structuur, vindt varkensdierenarts Sven Cooremans van dierenartsenpraktijk Lintjeshof. Als het aan hem ligt, wordt de pluimveehouderij het grote voorbeeld.

In Cooremans' toekomstbeeld heeft de varkenshouderij een structuur waarbij aan één fokbedrijf met een gekende, hogere gezondheidsstatus, een stuk of tien vaste vermeerderingsbedrijven zijn gekoppeld. Op deze bedrijven wordt, afhankelijk van de gezondheidsstatus en biggenprijzen, iedere drie tot zes jaar de zeugenstapel in één keer vervangen (depop-repop).

'Als je kijkt naar het vervangingspercentage op vermeerderingsbedrijven is het nu ook al zo dat in een tijdspanne van twee tot drie jaar de hele zeugenstapel wordt vervangen. Dat gebeurt niet in een keer zoals bij depop-repop, maar het is een continu proces waarbij je met de aanvoer van gelten telkens het risico loopt op insleep van nieuwe ziektekiemen', zegt Cooremans.

All-in all-out

Bij de vleesvarkens moeten bedrijven het all-in-all-out-systeem toepassen. 'Doordat je dan geen continue aanvoer meer hebt van dieren met een verschillende gezondheidsstatus, halen deze bedrijven een rendement dat gemiddeld 4 tot 5 procent hoger ligt.'

Externe biosecurity verkleint de kans op diergebonden ziekten

In landen als Spanje, de Verenigde Staten en Rusland wordt er veel meer met all-in all-out gewerkt. Cooremans is ervan overtuigd dat die werkwijze ook in Nederland, waar antibioticagebruik en dierenwelzijn onder een vergrootglas liggen, toepasbaar is. 'Maatschappelijk is het ook veel beter te verantwoorden dat we op een manier produceren, waarin dierenwelzijn en diergezondheid prioriteiten zijn.'

Ideale omvang

Cooremans schetst dat in de toekomst de ideale omvang van een vermeerderingsbedrijf tussen de 850 en 1.250 zeugen ligt. 'Dit past in het Beter Leven-concept.' Een bedrijf met 1.250 zeugen heeft ruwweg 700 biggen per week en daarmee is het mogelijk een vleesvarkensbedrijf met 2.500 tot 3.000 plaatsen in een keer vol te leggen.

Van de Nederlandse vleesvarkensbedrijven is 80 tot 85 procent nu al geschikt om de all-in-all-out-methode toe te passen, schetst Cooremans. 'En lukt dat niet op bedrijfsniveau, kijk dan naar de mogelijkheden op stalniveau.'

Winst in diergezondheid

Varkenshouders onder elkaar zijn er volgens Cooremans wel van overtuigd dat het beter is om vermeerderingsbedrijven af en toe leeg te draaien, omdat daarmee winst kan worden gehaald in diergezondheid.

Het knelpunt is doorgaans de financiering, maar de dierenarts is van mening dat dit vraagt om een heroverweging. Hij noemt het achterhaald dat een bedrijf vier maanden leegstand moet overbruggen en nadien geleidelijk weer wordt bevolkt.

Bij moderne depop-repop kan dit in een kort tijdsbestek en wordt het bedrijf in één keer weer vol gelegd. 'Je maakt daarmee een grote stap in diergezondheid en genetische vooruitgang en legt de basis voor een beter rendement. Waarom zouden we dat niet doen? Het is de moeite waard om over na te denken', zegt Cooremans.

Biosecurity

Hij deed dat samen met: DLV Advies, Abab en TopigsNorsvin. Ze ontwikkelden de quickscanzeugenhouderij (zie kader). Daarin draait het om het vrij worden en blijven van diergebonden ziekten. Eenmaal vrij, moet je dat ook blijven. De externe biosecurity speelt daarin een cruciale rol.

Als het gaat om diergezondheid maakt de dierenarts onderscheid in diergebonden ziekten (ziekten die zich verspreiden door onderling contact tussen de dieren) en niet-diergebonden ziekten.

In het eerste geval gaat het om bijvoorbeeld APP (eenzijdige longontsteking) en streptococcen. In het tweede kan het gaan om influenza en PRRS (Abortus Blauw) waarvan de verspreiding bijvoorbeeld ook via lucht, sperma en mensen kan gebeuren.

'Je kunt de interne biosecurity wel op orde hebben, maar is de externe dat niet, dan is het verspilde energie. Je interne biosecurity zorgt er niet voor dat je vrij wordt van diergebonden en niet-diergebonden ziekten. Externe biosecurity kan er wel voor zorgen dat de kans op besmetting met niet-diergebonden ziekten vermindert.'

Diergebonden kiemen

In de varkenshouderij richten de diergebonden kiemen op dit moment de meeste schade aan door een hogere voederconversie, meer uitval en afwijkingen hoger dan het slachthuisgemiddelde.

Cooremans: 'Het zijn met name deze kiemen die verantwoordelijk zijn voor het antibioticagebruik. Na het invullen van de quickscan zal de conclusie van de meeste ondernemers zijn dat er nog veel valt te verbeteren.'

'Om echt vrij te worden van diergebonden ziekten is depop-repop nodig. Het tweede deel van de quickscan berekent de totale financiële regeling. Gevoelsmatig een grote stap', erkent Cooremans. 'Ben je eenmaal vrij, dan is het makkelijker om vrij te blijven. We moeten groeien naar een betere toekomst.'

• Bekijk ook: Intensieve sectoren krijgen eigen antibioticadoelen

Weer

  • Zondag
    7° / -1°
    10 %
  • Maandag
    6° / 2°
    20 %
  • Dinsdag
    4° / 2°
    20 %
Meer weer
@nieuweoogst.nu