Waterkwaliteit+beter%2C+maar+nog+niet+op+orde
Achtergrond

Waterkwaliteit beter, maar nog niet op orde

Bemestingsoverschotten dalen en stijgende gewasopbrengsten bewijzen een betere mineralenbenutting. Toch moeten Nederlandse boeren en tuinders op zand- en lössgronden flink aan de bak om te voldoen aan de nitraatrichtlijnen voor grondwater. Verder is voor stikstof en fosfaat nog steeds sprake van normoverschrijdingen in oppervlaktewater.

De nutriëntenoverschotten in de Nederlandse landbouw zijn de laatste dertig jaar structureel afgenomen. Voor stikstof is het gemiddelde overschot ongeveer 60 procent lager en voor fosfaat is op sommige gronden zelfs sprake van een tekort. Vooralsnog hebben de lagere giften geen nadelige landbouwkundige gevolgen.

Dit blijkt uit een evaluatieonderzoek vanwege de meststoffenwet, die vorig jaar is uitgevoerd door Wageningen University and Research (WUR) samen met andere onderzoeksinstellingen.

Input zesde Actieprogramma

Deze evaluatie vindt om de vier of vijf jaar plaats. De bevindingen van het laatste onderzoek zijn gebruikt als input voor het zesde Actieprogramma Nitraatrichtlijn. Tijdens de themamiddag van de Commissie Bemesting Akkerbouw Vollegrondsgroenten (CBAV) in Putten, 30 november, gaf Gerard Velthof van WUR een toelichting op de landbouwkundige en milieukundige trends in relatie tot het mestbeleid.

Ondanks mestbeleid nog steeds stijgende gewasopbrengsten

Uit de gegevens van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) van RIVM blijkt voor stikstof dat vanaf 2005 in de akkerbouw de giften redelijk stabiel zijn. De verhouding tussen aangevoerde stikstof uit dierlijke mest en uit kunstmest verandert niet significant. De stikstofoverschotten in de akkerbouw zijn op zand licht dalend. Op klei is dit niet het geval.

Aandeel kunstmest

Voor fosfaat geldt zowel voor de giften als de overschotten een dalende trend. Duidelijk is de afname van het aandeel kunstmest in de fosfaatgiften. Op zowel zand als klei nemen de fosfaatoverschotten snel af. In de akkerbouw is gemiddeld nog wel sprake van een overschot, dit in tegenstelling tot de veehouderij.

In het evaluatieonderzoek is vastgesteld welk effect het mestbeleid heeft op de gewasopbrengsten en op de bodemvruchtbaarheid. In zijn presentatie gebruikte Velthof voor de opbrengsten de CBS-cijfers van elf landbouwgewassen, inclusief mais en gras. Op zand zijn de gemiddelde opbrengsten van 2006 tot en met 2014 gestegen met 1,7 procent, op klei is dat 1,6 procent.

Bouwland laagst

Eurofins Agro (voorheen Blgg) bepaalt jaarlijks gemiddelde organische stofgehalten van bouwland, maisland en grasland. Op bouwland is het gehalte aan organische stof in de bouwvoor met gemiddeld ongeveer 4 procent het laagst. Wel is het gehalte al 30 jaar vrijwel stabiel en de laatste 10 jaar zelfs licht stijgend.

Voor de fosfaattoestand van de onderzochte percelen stelt Eurofins Agro vast dat op klei de P-CaCl2-waarden significant dalen vanaf 2005. Dit is een indicatie voor de mobiele fosfaatfractie in de bodem. De P-Al-waarden zijn wel redelijk stabiel. Bij de indeling van gronden in de klasses hoog, neutraal of laag plaatst Velthof vraagtekens. 'Van slechts de helft van de percelen zijn fosfaatwaarden bekend. Veel niet-geanalyseerde percelen worden ten onrechte ingedeeld in de klasse hoog.'

Effect op waterkwaliteit

Belangrijk in de evaluatie van het mestbeleid is het effect op de waterkwaliteit. RIVM-gegevens laten zien dat de nitraatconcentraties in uitspoelingswater op klei en veen al jaren ver beneden de grens van 50 milligram per liter blijven. Zandgrond voldoet gemiddeld bijna aan de Europese richtlijn, voor lössgronden is dit nog niet het geval.

Uit specificaties per regio blijkt dat op de zuidoostelijke zandgronden de nitraatgehaltes veruit het hoogst zijn met gemiddeld ongeveer 75 milligram per liter grondwater. Verder is de uitspoeling van nitraat op akkerbouwpercelen duidelijk hoger dan van gronden op veebedrijven.

Normoverschrijdingen

Voor nutriënten gemeten in oppervlaktewater geldt dat waterschappen verspreid over Nederland nog volop normoverschrijdingen meten. Wel stelt WUR vast dat de bijdrage van de landbouw voor zowel stikstof- als fosfaatbelasting van regionale wateren behoorlijk afneemt ten opzichte van andere bronnen. Voor stikstof betreft de belasting vanuit de landbouw nog 63 procent, voor fosfaat 55 procent.

Onderzoeksinstituut Deltares bevestigt de trend dat de invloed van landbouw op de kwaliteit van oppervlaktewater afneemt. Wel blijkt uit de gegevens van het instituut dat nog gemiddeld 60 procent van de zandgronden niet voldoet aan de stikstofnormen van de waterschappen. Voor kleigronden is dit 50 procent. Aan de waterschapsnormen voor fosfaat voldoet 50 tot 65 procent van alle landbouwgronden.

Positieve trends

Op basis van de bevindingen in de evaluatie concludeert Velthof dat de trends ten aanzien van mineralengiften, overschotten en de effecten op het milieu over het algemeen positief zijn. 'De grootste uitdaging voor het zesde Actieprogramma is het verlagen van de nitraatconcentratie in grondwater in zuidoost-Nederland. Verder moet de landbouw zich blijven richten op verdere daling van uitspoeling en afspoeling van stikstof en fosfaat naar oppervlaktewater.'

Haijo Dodde

Haijo Dodde is redacteur Akker- & Tuinbouw. Hij volgt met name de akkerbouw en vollegrondstuinbouw.

Contact